Over een economie die nooit "genoeg" kent, een biljet zonder getallen, en de vraag wat waarde eigenlijk is als je het getal even wegneemt.
Stel je een systeem voor dat alleen kan bestaan zolang het groeit. Geen rustpunt, geen moment waarop het genoeg is — stilstand is voor dit systeem het enige echte gevaar. Dat systeem bestaat al. Het is de economie waarin we leven. Geld wordt vrijwel overal gecreëerd als schuld, met rente als voorwaarde: om die rente terug te kunnen betalen moet er morgen meer omgezet worden dan vandaag. Bedrijven die niet groeien, verdwijnen. Landen die niet groeien, raken in de problemen. Zo ontstaat een wereld waarin "genoeg" geen deugd is, maar een verstorend element.
Dat zou op zichzelf al een reden tot nadenken moeten zijn. Maar er zit nog iets onder: het idee dat met geld geld gemaakt kan worden. Rente, rendement, vermogensgroei — kapitaal dat zichzelf vermeerdert, los van wat er werkelijk wordt gemaakt of gegeven. Onderzoek laat al jaren zien dat vermogen sneller groeit dan de reële economie eromheen. Met andere woorden: wie al veel heeft, hoeft van het systeem zelf steeds minder te doen om nog meer te krijgen.
Een economie zonder eindpunt
Vergelijk dat eens met een lichaam. Een lichaam groeit tot een bepaalde omvang, en stopt dan met groeien, gestuurd door een intern evenwicht. De economie kent zo'n evenwicht niet. Groei is geen fase op weg naar volwassenheid, groei ís het doel. Reclame bestaat grotendeels om precies dat gevoel van "nog niet genoeg" levend te houden. En dat heeft een prijs die verder gaat dan geld: alles wat we produceren, verbruiken en weggooien, kost energie en grondstoffen die niet oneindig zijn. Groei is, in de kern, versnelde slijtage van de wereld waar we vanaf hangen.
Waarde is geen getal
Dus: als het probleem niet zit in hoe we het systeem beter beheren, maar in het systeem zelf — wat dan? Het antwoord dat mij het meest overtuigt, begint niet met een nieuw verdeelmodel, maar met een andere blik op waarde zelf. Waarde is namelijk geen eigenschap van een ding. Een brood is niet "waard" wat er op het prijskaartje staat, los van wie het bakt, wie het eet, en waarom. Waarde ontstaat pas tussen mensen — in de relatie, het moment, de context. Alles is, voordat die relatie ontstaat, van onbepaalde waarde.
Dit is geen zweverige gedachte, het is precies wat een gift al eeuwenlang doet: een cadeau heeft geen vaste prijs, het krijgt betekenis in het geven en ontvangen zelf. Zorg werkt hetzelfde. Als je voor iemand zorgt, ontstaat er iets wat groter is dan de som van de handelingen — 1 en 1 is dan niet 2, maar evenmin 1. Het is meer.
Wij zijn geen uitzondering op de natuur
Er schuilt in dit alles nog een aanname die het waard is om los te laten: dat de mens tegenover de natuur staat, als beheerder, gebruiker of — in het gunstigste geval — beschermer. Maar we zijn zelf een voortbrengsel van de natuur, geen uitzondering erop. Een cel zorgt niet bewust voor het lichaam waar ze deel van is — ze functioneert gewoon, en het lichaam ontstaat als vanzelf uit dat functioneren. Misschien is dat ook onze positie: verantwoordelijkheid voor het geheel is geen offer dat we brengen aan iets buiten onszelf, het is zorg voor onszelf, omdat we onlosmakelijk deel zijn van dat geheel.
Weten is voelen
Als waarde relationeel is en niet in een getal te vangen, dan geldt hetzelfde voor kennis. We zijn gewend te denken dat begrijpen iets is wat met het hoofd gebeurt, los van het lichaam en het gevoel. Maar wie ooit iets heeft gemaakt — een schilderij, een verhaal, een gesprek dat ergens toe kwam — weet dat inzicht zich zelden eerst in woorden aandient. Het wordt eerder gevoeld dan gedacht, en pas later, moeizaam, in taal gevat. Misschien zijn weten en voelen dan ook geen twee aparte dingen die toevallig samenvallen, maar één en dezelfde beweging, van twee kanten bekeken.
Dat besef vraagt om iets lastigs namelijk: nooit te denken dat je het beter weet dan een ander. De werkelijkheid, en de ander, laten zich nooit volledig vatten in wat wij ervan begrijpen. Het enige eerlijke antwoord is dan: we weten het misschien nooit volledig, en dat samen erkennen — in gesprek, in een steeds bredere context — is zelf al een vorm van vooruitgang.
Verdwalen mag
Dat brengt me bij een onderscheid dat me dierbaar is: het verschil tussen dwalen en verdwalen. Dwalen doen we allemaal, elke dag, van het moment dat we opstaan tot het moment dat we gaan slapen — we handelen voortdurend zonder zeker te weten of het de juiste keuze is. Dat is niet erg, dat is gewoon leven. Verdwalen is iets anders: het is het bewust verlaten van het bekende pad, om iets nieuws te vinden. Elk kunstwerk dat de moeite waard is, ontstaat zo. Je begint met een idee, en onderweg blijkt het anders te moeten — beter, misschien — en dat proces stopt nooit bij het laatste werk. Het gaat altijd door.
Dat vraagt om iets wat onze cultuur niet goed verdraagt: fouten maken, en de kwetsbaarheid die daarbij hoort, gewoon accepteren als deel van wie we zijn. Niet als iets om weg te poetsen, maar als voorwaarde voor alles wat nog kan veranderen. Het kan anders. Misschien wel beter.
Een biljet zonder cijfer
Sinds 2013 werk ik dit uit in een lopend kunstproject: Van Onbepaalde Waarde. Het zijn biljetten zonder cijfer — geen munt, geen bedrag, geen "meer" of "minder". Je kunt ze aanvragen, niet kopen. Ze zijn gratis. Elk exemplaar is precies even waardevol als het andere, omdat waarde hier niet van hoeveelheid afhangt, maar van bestaan, van betekenis, van deel-zijn van een groter geheel.
Het is geen aanval op geld, en geen pleidooi om morgen zonder munt te leven. Een biljet is een klein, hardnekkig teken dat er iets anders mogelijk is — een herinnering, die telkens opnieuw wordt uitgegeven, dat de dingen die er werkelijk toe doen zich niet in een getal laten vangen.
Wat mensen voor elkaar betekenen, is niet in geld uit te drukken.







Als planeconoom ga ik niet uit van groei van een economie.
Maar voor een groeiende bevolking lijkt er wel een groeinoodzaak als het gemiddeld welvaartsniveau per capita gehandhaafd moet blijven.
Het zou dan ook goed zijn als de wereldbevolking af zou nemen.
Dat zal niet eenvoudig lukken met onze soort.
En waar dat in regio’s al begint op te treden krimpt het welvaartsgevoel en stijgt de druk om daar iets aan te doen. Groei is niet alleen zomaar economisch, maar blijkbaar een gevoelde behoefte. Ook op microniveau: gezinsuitbreiding vraagt om een hoger inkomen.
Dank je Ton, voor je reactie. Je hebt gelijk dat een groeiende bevolking een echte reden voor groei is. Als er meer monden te voeden zijn, moet de taart groter worden om iedereen een even groot stuk te geven. Dat wil ik in geen enkel geval wegpoetsen.
Toch denk ik dat er twee soorten groei door elkaar lopen. De groei die jij beschrijft volgt de behoefte: meer mensen, dus meer nodig. De groei waar mijn column over gaat, zit in het systeem zelf. Geld ontstaat als schuld met rente, en vermogen groeit door zijn eigen rendement. Die groeidwang verdwijnt niet als de bevolking stabiel blijft of krimpt. Japan laat dat zien: de bevolking krimpt al jaren, en toch staat alles in het teken van weer gaan groeien.
Jouw woord “welvaartsgevoel” vind ik eigenlijk de kern. Je schrijft dat dat gevoel krimpt waar de bevolking krimpt. Maar een gevoel is iets anders dan een tekort. Het ontstaat in vergelijking: met de buren, met vroeger, met de reclame die ons vertelt wat we nog missen. Precies daar zit voor mij de vraag: meten we welvaart in wat we hebben, of in wat we voor elkaar betekenen?
Je voorbeeld van het gezin raakt me. Natuurlijk vraagt een kind om meer inkomen. Maar niemand krijgt een kind om de welvaart per hoofd te verhogen. Wat een kind toevoegt, is nergens in geld uit te drukken, en dat geldt ook voor de zorg die het vraagt. Juist het gezin laat zien dat 1 + 1 meer kan zijn dan 2.
Ik ben benieuwd hoe jij als planeconoom kijkt naar een economie zonder groeidwang: kan die bestaan zolang geld als schuld met rente wordt gemaakt? Daar zou ik graag eens met jou verder over doorpraten, als het lukt bij een kop koffie.